VOORBERICHT

De dichter.

De 325 spreuken, die het werk bevat, worden toegeschreven aan Bhartṛhari, broeder van Wikramâdítya, koning van Oejjáyinî aan de noordelijke rand van het Windhya-gebergte. Hij leefde in de 7e eeuw. Zijn op aarde zijn was één vallen-en-opstaan. Men spreekt van zeven keren monnik worden en telkens weer terugkomen in de zondige wereld. Wie misschien, gedachtig aan de rol, die de huispoëten van onze vroegere rijke kooplieden moest spelen, weigert te geloven, dat 's konings broeder de dichter was, leze boek III, vers 52 en 53: zó spreekt alleen een man tot zijn broeder, die ver boven hem in rang staat, doch zijn gelijke niet is in liefde en kunst en wetenschap.

De vertaling.

Beperkt heb ik mij bij de keuze der woorden niet tot het tegenwoordige Hollands, dat gesproken wordt in de provincie Zuid-Holland tussen Maas en IJ. Ook ouder Hollands en Middel-Nederlands; Ook onze dialecten en ook de taal van Zuid-Africa, zowel als die der duizenden, die in de Verenigde Staten van Noord-America onze taal zijn blijven spreken, hebben het recht bestudeerd en gebruikt te worden. Als wij dat niet verkiezen te doen, hebben wij dan werkelijk het recht, de mond steeds zo vol te hebben van "Groot-Nederland"? Waar ik een woord nodig had, dat geen ander lexicon opgeeft, heb ik het gemaakt. Waarom niet? Als het goed gevormd is, is alles in orde. Men denke aan het heerlijke zoet klinkende vermooien, dat wij de tachtigers te danken hebben en dat gelukkig meer en meer het kraaierige verfraaien verdringt!

De vertaler.

Er zijn er in ons land, die ongetwijfeld Bhartṛhari vertalen kunnen. Ik denk op dit ogenblik vooral aan de grootste taalkundige, dien wij ooit gehad hebben en waarvan een ander scherpzinnig geleerde zeide: 't is een boom vol rijpe, rijpe vruchten, je schudt maar! --- Die heeft vroeger reeds bewezen, dat de hij de moeilijkste buitenlandse poëzie kan vertolken, alsof het hem zó maar opwelde uit de eigen rijk begaafde mensenziel!
Zó zijn er weinigen, maar die weinigen die doen het niet.
Anderen zijn er, die er over kletsen kunnen --- maar vertalen doen ook zij niet.
Dan zijn er nog, die het niet kunnen en daartoe reken ik mezelf.

        Davus sum non Eudipus.

Laren, N.-H. 13 December 1926.

H. G. VAN DER WAALS.

DE WAELBURGH, BLARICUM. Anno 1927

Klik hier om verder te gaan met deel 1, vers 1 t/m 32